|
|
Nationale Nederlanden - Rotterdam |
|
De bouw van een nieuw hoofdkantoor voor Nationale Nederlanden op deze locatie past in de stedenbouwkundige ontwikkelingen van een gebied waarover talloze architecten en stedenbouwers zich in de loop der jaren het hoofd hebben gebogen. Begrensd door spoor, Stationsplein en Weena vormde dit terrein, halverwege de jaren tachtig, de ontbrekende schakel tussen Centraal Station en binnenstad. Richtlijnen ten aanzien van haar bebouwing kwamer voort uit het in 1981 voor Weena-Oost ontwikkelde ‘boulevard model’: een woon- en werkgebied met een gesloten blokbebouwing langs een boulevart met een (versmalde) profielbreedte van 60 meter en een aan het Hiltonhotel refererende gevelwandhoogte van 40 meter met de mogelijkheid van een grotere hoogte in het tweede gelid. De verblijfswaarde van zo’n boulevard zou bepaald worden door de situering van de begane-grondbestemmingen langs de voetgangerszones. Bij wijze van ‘overdekte trottoirs’ zouden arcades aan het Weena een verdere ondersteuning van het voetgangersverkeer en de benodigde samenhang tussen de diverse gebouwen kunnen realiseren. De dringende behoefte aan nieuwe impulsen voor de Rotterdamse binnenstad leidde ertoe dat de politiek dit model niet ruimtelijk en juridisch wenste vast te leggen en daarmee de weg vrijmaakte voor een op Amerikaanse stadsbeelden geïnspireerde skyline in een meer open bouwstructuur van voornamelijk monofunctionele kantoorbebouwing. Door de versoepeling van de stedenbouwkundige randvoorwaarden ontstonden aantrekkelijke vestigingsvoorwaarden voor bedrijven. Deze resulteerden in een rij losse kantoorgebouwen met strakke, veelal spiegelende gevels en grote verschillen in (soms imposante) hoogte en straatgevels. De bouw van een nieuw hoofdkantoor voor Nationale Nederlanden op deze locatie past in de stedenbouwkundige ontwikkelingen van een gebied waarover talloze architecten en stedenbouwers zich in de loop der jaren het hoofd hebben gebogen. Begrensd door spoor, Stationsplein en Weena vormde dit terrein, halverwege de jaren tachtig, de ontbrekende schakel tussen Centraal Station en binnenstad. Richtlijnen ten aanzien van haar bebouwing kwamer voort uit het in 1981 voor Weena-Oost ontwikkelde ‘boulevard model’: een woon- en werkgebied met een gesloten blokbebouwing langs een boulevart met een (versmalde) profielbreedte van 60 meter en een aan het Hiltonhotel refererende gevelwandhoogte van 40 meter met de mogelijkheid van een grotere hoogte in het tweede gelid. De verblijfswaarde van zo’n boulevard zou bepaald worden door de situering van de begane-grondbestemmingen langs de voetgangerszones. Bij wijze van ‘overdekte trottoirs’ zouden arcades aan het Weena een verdere ondersteuning van het voetgangersverkeer en de benodigde samenhang tussen de diverse gebouwen kunnen realiseren. De dringende behoefte aan nieuwe impulsen voor de Rotterdamse binnenstad leidde ertoe dat de politiek dit model niet ruimtelijk en juridisch wenste vast te leggen en daarmee de weg vrijmaakte voor een op Amerikaanse stadsbeelden geïnspireerde skyline in een meer open bouwstructuur van voornamelijk monofunctionele kantoorbebouwing. Door de versoepeling van de stedenbouwkundige randvoorwaarden ontstonden aantrekkelijke vestigingsvoorwaarden voor bedrijven. Deze resulteerden in een rij losse kantoorgebouwen met strakke, veelal spiegelende gevels en grote verschillen in (soms imposante) hoogte en straatgevels. Het programma van eisen ging uit van twee afzonderlijke kantoorgebouwen met totale oppervlakte van 60.000 vierkante meter, een verbindend facilitair gebouw van 15.000 vierkante meter dat tegelijkertijd als centrale ontmoetingsruimte zou dienen, en een parkeergarage voor 1.200 auto’s. En dit alles op een terrein van slecht 95 x 95 meter. Het programma onderstreepte de behoefte aan een flexibele indeling van kamers en afdelingen, en een goede bedrijfsveilige ontsluiting van het gebouw. Dit betekende voor de interne organisatie dat rechtstreekse verbindingen tussen parkeer- en kantoor-ruimten niet gewenst waren, en dat de kantoorlagen ontsloten zouden worden via één stijgpunt per gebouw waaraan voorzieningen als garderobes, toiletten, recepties en spreekkamers direct gekoppeld waren. Het programma vroeg verder om een goede bouwtechnische kwaliteit middels de toepassing van eenvoudige vormen en materialen, en sprak een voorkeur uit voor buitengevels in onderhoudsarm, zonreflecterend glas. Nationale Nederlanden wenste een gebouw van allure, zonder pracht en praal, eenvoudig en logisch van opzet en goed passend in haar omgeving. Aan de meervoudige opdracht die door Nationale Nederlanden werd uitgeschreven namen naast Bonnema ook Quist, Kraaijvanger, Van Mourik en Coenen deel. De Raad van Bestuur koos unaniem voor het ontwerp van Bonnema, niet alleen vanwege de efficiënte opzet maar ook uit het oogpunt van vormgeving: ‘krachtig en toch slank’. Om financiële en praktische redenen (in- en uitrijden binnen één uur) was een complete parkeergarage voor 1.200 auto’s op acht lagen ondergronds onhaalbaar. Nog een extra complicatie vormden de twee metrotunnels op een diepte van vier meter. Bonnema schoof de parkeerruimte gedeeltelijk als een gesloten zwarte doos op niveau twee en drie in het gebouw en de rest ondergronds. Het bedrijfsrestaurant ligt als een glazen cirkel op die gesloten doos. De beide torens verheffen zich zo letterlijk boven de onderbouw. Vanuit de centrale 18 meter hoge entreehal die een openbare inrichting met winkels en horeca heeft gekregen, voert een monumentale roltrap diagonaal naar boven. De overgang van stedelijke buitenruimte via de arcade, de semi-openbare entreehal en de roltrap naar de private sfeer van het bedrijf krijgt daarmee vanzelfsprekend vorm. Bonnema toonde aan dat de combinatie van stedenbouwkundige randvoorwaarden en bedrijfsprogramma niet tot een bevredigende architectonisch oplossing kon leiden. Vanwege de uitstraling van het gebouw achtte hij het noodzakelijk de torens te verhogen tot respectievelijk 93 en 150 meter waardoor tevens de voor hem essentiële verhouding tussen breedte en hoogte kon ontstaan. Feitelijk betekende dit een overstijging van de vereiste vloeroppervlakte. Het is de verdienste van Nationale Nederlanden dat zij voor dergelijke overwegingen openstond en uiteindelijk een gebouw realiseerde dat het belang van het architectonisch ontwerp boven dat van het exacte aantal benodigde vierkante meters heeft willen stellen. |